Een half jaar voor Kerstmis...

"Och ja, maar ik had haar sowieso al geen half jaar meer gegeven..."

Ken je dat, zo’n moment waarop je omgeving even lijkt te vervagen, verdwijnen zelfs? Je ademt stokt, en je vraagt je af of je houvast moet zoeken omdat je het vermoeden hebt dat je je evenwicht gaat verliezen?

"Een half jaar? Maar dan is het Kerstmis."

Ik twijfel heel even, tussen het niet willen geloven en het niet kunnen geloven. Gedachten gaan door je hoofd.

"Over een half jaar heb ik geen moeder meer."

Ik besluit het gevoel even van me af te zetten en naar de internist te luisteren. Toch vreemd. De man is al een jaar of zeven mijn moeders internist, en ook al ben ik regelmatig mee geweest naar het ziekenhuis, ik heb hem zelf nog nooit gezien. En nu zie ik 'm eindelijk. Wat een timing.

Aangenaam. Of eigenlijk niet. Ik spreek de man op een vrijdagavond, 25 juni van dit jaar. Mijn moeder wordt voor de tweede keer die dag naar de OK van het ziekenhuis gereden. Ik heb haar net nog sterkte gewenst toen ze haar bed de lift in reden. Ze reageerde met haar ogen. Misschien wel de laatste keer dat ze een signaal naar me heeft teruggegeven.

We zijn naar het ziekenhuis gekomen vanwege haar tweede operatie die dag. Ze was eerder al geopereerd. Ze had inwendig bloedverlies en dat wilden ze onderzoeken. Daarbij waren er wat complicaties waardoor ze op de Intensive Care terecht kwam. Ben die middag meteen naar het ziekenhuis gegaan, met m’n vader erbij. Het was heel erg om te zien. Ze ademde door een slang, dus ze kon niets terugzeggen. Alleen ja knikken of nee schudden. 'Het komt allemaal weer goed,’ heb ik nog gezegd. Ze lag immers op de IC, daar zorgen ze goed voor haar. Ze had nee geschud. Maar ze is wel vaker pessimistisch.

En nu, ’s avonds, zijn we gebeld door het ziekenhuis. Het was nog niet helemaal goed, dus ze gingen haar nog een keer opereren. Of we konden komen. Ja, tuurlijk. Bij binnenkomst op de afdeling rijden ze haar net de lift in. Sterkte mam, tot zo. Mooi niet...

Ook op de afdeling is de internist. Ik ben een beetje stil en eigenlijk ook wel geschrokken, dus m’n vader stelt te vragen. 'Hoe is het met haar?’ En de internist antwoordt, legt de situatie uit. De situatie was verslechterd, en hij ziet het somber in.

"Och ja, maar ik had haar sowieso al geen half jaar meer gegeven..."

Echt, dat moment. Niet te beschrijven. Hij heeft het over m’n moeder. Just like that. Een half jaar. Het is natuurlijk een schatting, maar damn, precies over een half jaar is het kerstmis!

Ga ik m’n moeder verliezen?

Ik moet er niet aan denken.

Het zou een lang weekend worden. M’n werk heb ik afgebeld. Wel lullig voor m’n collega’s, die staan nu met een man minder. Maar ja, sorry, niets aan te doen. Ik zou nu toch alleen maar fouten maken en ik wil wel naar m’n moeder als het moet. Dus ik kom niet. Sterkte, zegt m’n collega. Dank je, ik heb het nodig.

We zijn enkele keren heen en weer gependeld. Even wezen kijken, dan weer naar huis om je gedachten te verzetten. Zaterdagavond is het even kritiek. Ze reageert moeilijk op de onderbreking van de voeding. Mijn moeder krijgt voeding via een slangetje toegediend, en de spuit met dat spul moet af en toe verwisseld worden omdat-ie nou eenmaal leegraakt. Alleen, zodra ze die wissel doen, en er dus een onderbreking is van de toevoer, gaan de metertjes op haar monitor bewegen.

Ze weten niet zeker hoe dit gaat lopen, hoe ze reageert. Over drie uur is de spuit weer leeg, misschien is het beter als we daar dan bij zijn. Is goed, we komen eraan. Uiteindelijk hebben we de nacht in het ziekenhuis doorgebracht. Niets gebeurd, ze houdt zich heel sterk. Ben ik stiekem wel trots op. Mijn moeder laat zich niet kisten.

De zondag verloopt precies hetzelfde. Af en toe even naar het ziekenhuis, kijken hoe het gaat. Niks aan de hand. Metertjes schudden misschien een beetje, maar meer is het niet. Bepaalde waarden gaan zelfs weer stijgen, dus het gaat de goede kant op. Ze komt er wel weer bovenop, die moeder van mij. Al duurt het weken.

Zondagavond nog naar de IC gebeld, voor het slapengaan. Ik kon altijd bellen, er zijn 24 uur per dag mensen aanwezig. Alles nog in orde? Ja, niets bijzonders gebeurd. Mooi, kan ik rustig slapen.

De volgende ochtend weer bellen. Alles goed gegaan vannacht? Ja, niets vreemds gemerkt. Gelukkig, het gaat nog goed.

Het is maandag, en aangezien het voor mij nog vakantie is heb ik een beetje uitgeslapen. Het huis is leeg, iedereen is naar werk of ergens heen. Totdat de telefoon weer gaat. Het ziekenhuis. Of we langs willen komen. Heeft het haast? Haast blijkt een groot woord, maar kom maar gewoon snel.

Mijn vader bereidt me voor. Ze vragen je niet zomaar om te komen. Dokters willen niet zomaar een babbeltje met je maken. Ik vrees niets, maar bereid me voor op het ergste. Ja, ook daarop. Nuchtere lul die ik ben.

In het ziekenhuis spreken we de behandelend arts van dienst. Hem spraken we dit weekend ook, en hij is zijn dienst deze maandagochtend, de 28e juni alweer, aan het afronden. Hij vertelt dat er overleg is geweest over mijn moeder. Ze ligt lekker stabiel zo, houdt zich prima met de support die ze op de IC krijgt, maar echt handig is het niet. Haar lichaam raakt vol met medicijnen en wordt steeds minder sterk van zichzelf. Haar organen gaan het een beetje begeven. Uiteindelijk zal ze het niet trekken, vermoeden ze.

De arts is er heel eerlijk in: ze hebben besloten de behandeling te stoppen. Althans, de constante voeding en medicatie. Die is funest, en ze kan niet nog jaren aan een slangetje leven. Da’s waar, denk ik. Ze willen weten of ze het ook zonder kan. En als dat niet het geval is, jah...

Ik zag een half jaar héél kort worden.

Als de arts weggaat, ben ik stil. Overrompeld. Ik droom, he? Toch?

Hij heeft met ons afgesproken dat ze er om vijf uur mee beginnen. Al is beginnen niet het juiste woord. Ik kijk op de klok. Vijf uur. Dat is helemaal niet zo ver weg. Ben ik over een paar uur mijn moeder kwijt?

Ik krijg nog even de gelegenheid om afscheid te nemen. De deur gaat dicht, en daar zijn we dan. Mijn moeder en ik, samen. Zij liggend, ik zittend. Stil zittend. Zwijgend. Ze slaapt. Al dagen. Heel even voelde het voor een heel klein beetje weer zoals vanouds. Mijn moeder en ik, samen. Met z’n tweetjes, en de rest van de wereld is lekker ergens anders.

Jemig, wat moet ik nou zeggen? Zou ze me horen? Wat zeg je tegen iemand die 23 jaar bij je is geweest? Ze heeft voor mij altijd het beste gewild. En ik voor haar. Ik vind het moeilijk om haar te moeten vertellen dat ze haar zoon moet achterlaten. Zou ze dat willen? Zeker weten van niet. Maar ik red me wel mam. Ik ben 23. Ik heb nog jaren te gaan. Ik heb nog honderden plannen en ideeën. Weet je wat mam? Ik spreek hier met je af dat ik het naar m’n zin ga hebben hier. Ik ga, zolang ik leef, proberen overal zoveel mogelijk plezier in te vinden. Dingen doen die ik wil, zodat ik iets leuks heb om op terug te kijken later. En, belangrijker, zodat jij, als je af en toe naar beneden kijkt, ziet dat het goed met me gaat. Dat je je geen zorgen hoeft te maken mam. Je hebt me goed opgevoed, en dat ga ik je bewijzen. Kijk maar gewoon af en toe even naar beneden. Dan weet je dat ik me helemaal red. Want je kent me he? Ik kom altijd op m’n pootjes terecht.

Ik ga het hier nog een heleboel jaren enorm naar mijn zin hebben, zodat jij dat daarboven ook kan hebben. Lekker plezier maken, zonder dat zieke lichaam om je zorgen over te maken. Lekker puzzelen, of een goed boek lezen. En af en toe even kijken. Dan kijk ik omhoog. Dat beloof ik. Afgesproken?

Het is heel stil. Ik zit daar, zachtjes in mezelf te praten, net zo lang totdat ik niets meer weet te zeggen. De verpleegster heeft tissues achtergelaten. Die komen mooi van pas.

Dag mam. Ik ga je missen. Ik had niet gedacht dat ik het al zo snel zonder jou zou moeten doen, maar ik kan het wel. Het is eng, maar des te uitdagender. Ik ga ervoor mam. Ik ga je mooie verhalen vertellen als ik je weer zie.

Het is raar om iemand te knuffelen die niet terugknuffelt.

Dag mam. Ik hou van je.

Als ik weer naar buiten kom, knuffelt er wel iemand terug. De uren daarop is het wachten. Lang wachten. Ze houdt zich taai. Uren zit ik op de hartslagmeter te kijken. De waarden dalen soms een beetje, en stijgen weer wat, en dan wordt het grafiekje weer heel actief.

Hoop leeft op. Ze trekt het gewoon! Ze dachten van niet, maar dit is goed, toch? Nog even afwachten, niet te enthousiast worden.

En toen gebeurde het. Ik heb veel ziekenhuizen gezien op TV en in films. Met van die meters die van een stabiel ritme overgaan naar een rechte horizontale lijn als iemand overlijdt. Met zo’n pieptoon. Die piep is er hier niet, en zo stabiel is het ritme ook niet, maar ineens wordt de lijn voor een lange tijd recht. Ik hou m’n adem in. Poef, daar is weer een hartslag. En weer een. En nog een. En het gaat gewoon weer doo.. nee, weer een rechte lijn. Deze duurt wat langer, maar gaat ook weer over in een hartslag.

Het is heel raar, maar het lijkt bijna een spelletje dat met je gespeeld wordt. Zo eentje waarbij je op een gegeven moment denkt 'ja nou weet ik het wel, kap er nou maar mee’. Maarja, dat heb ik liever niet. Die rechte lijn. Maar hij komt wel.

"Ah toe, kom dan.. ah?"

Ik hoop op een flikkering in de grafiek. Een hartslag. Iets. Maar het wordt niets. De verpleegster zet resoluut de monitor uit. Einde oefening.

En het werd stil. Het is zover. Kwart over tien. Mijn moeder is dood.